
De wolfsmelkpijlstaart vliegt bij ons in de zomermaanden.
Het is een trekvlinder uit Noord-Afrika die jaarlijks
in wisselende aantallen als migrant naar Nederland komt.
Vanaf de jaren zestig is het geen standvlinder meer in Nederland
langs de oevers van de grote rivieren.
In België bestaan er waarschijnlijk nog wel kleine populaties.
De vlinder wordt in Nederland zelden gezien en doorgaans
zijn het vooral rupsvondsten die worden gemeld.
In 2003 waren er relatief gezien opvallend veel waarnemingen.
De vlinder vliegt in de avondschemering.
De voorvleugels (spanwijdte 55 – 75 mm) zijn groenachtig bruin
en beige en hebben bij jonge dieren nog vaak een roze tint.
Er bevinden zich drie donkere vlekken langs de voorrand
en een donkere band vanaf de achterrand naar de punt.
De achtervleugels zijn roze met 2 zwarte banden.
Bij verstoring neemt de vlinder een bijzondere schrikhouding aan
met gespreide vleugels en een naar beneden gekromd achterlijf.
Zeer gelijkend is de walstropijlstaart bij wie de tekening
langs de voorvleugelrand niet onderbroken is.
De rups is geel en rood met zwarte velden
met daarin witte vlekken en wordt tot 80 mm lang.
De bonte tekening kan sterk variëren.
De pijl is rood met een zwarte punt.
Hij leeft vooral op overblijvende,
grote wolfsmelkachtigen, zoals cypreswolfsmelk.
Met de opvallende tekening van de rups en de dreighouding
van de vlinder attendeert de soort zijn natuurlijke vijanden op gifstoffen,
die hij via de giftige voedselplant tot zich neemt.
Van juli tot september is hij te vinden, daarna verpopt hij
in de grond waar hij overwintert.

Terug naar: