
De hoofdvliegtijd van de witringuil ligt in de maanden maart en april.
Er is jaarlijks één generatie.
In Nederland is het een zeer zeldzame vlinder met slechts af en toe
een waarneming in de oostelijke helft van ons land.
De latijnse naam geeft aan dat de vlekken geel gekleurd kunnen zijn.
De vrouwtjes zijn donkerder met donkere, lichtgerande vlekken.
De spanwijdte bedraagt 34 – 38 mm.
Het is een soort van wilgenkatjes; dat is ook
de ontmoetingsplaats voor de paring.
De rups is te zien van mei tot augustus en hij voedt zich
met verschillende planten en struiken.
Hij wordt tot 40 mm lang en is in alle stadia geelachtig lichtgroen
met een geelachtige,
aan de bovenkant groen gezoomde flankstreep.
De groene schuine strepen boven de subdorsale lijn
kunnen ook bruinachtig of violet gekleurd zijn.
De pop overwintert in de grond.
Terug naar: