Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!

Wilgenhoutrups

Cossus cossus
Houtboorders

De wilgenhoutrups komt in geheel Nederland voor op allerlei grondsoorten.
Wel is hij in het westen van het land een gewonere soort dan in het oosten.
Hij leeft o.a. in bossen, verwaarloosde boomgaarden en in laanbomen.
De soort heeft 1 generatie per jaar en vliegt van eind april tot begin september.

De vlinder rust overdag op stammen of dikke takken.
Het is een grote soort met een spanwijdte van 68 – 80 mm
en een opvallend geringd achterlijf.
De voor- en achtervleugels zijn grijs met een fijne,
zwarte bestreping en een dicht netwerk van fijne en grovere lijnen.

De eieren worden afgezet in groepjes in bastnaden van zieke bomen.
De rups leeft vanaf juli in het hout van diverse loofbomen
(o.a. wilg en populier) en fruitbomen.
Hij doet 2 tot 4 jaar over zijn ontwikkeling waarbij hij
dicht onder de bast of in aangetast hout verblijft.
Hiermee is de soort één van de oudst wordende vlinders.
In koude tijden is hij inactief.

De rups is vaak aan te treffen op paden op het moment dat hij de stam waarin hij
jaren geleefd heeft, verlaat (mei) en op zoek gaat naar een verpoppingsplaats.
Hij is dan meestal zo'n 8-9 cm lang, heeft een glimmend purperrood lijf
dat bleker is aan de flanken.
De kop, nekschild en stigma's zijn glanzend zwart.

De rupsgaten zitten laag in de stam en zijn te herkennen aan het 'zaagsel'.
Een boom wordt vaak meerdere keren benut, wat duidelijk te zien is
aan het aantal gaten in de bast.
Boomstammen kunnen door de meterslange vraatgaten zo worden doorzeefd
dat de draagkracht verzwakt, zodat ze omvallen.

De rups kan een bruine vloeistof wegspuiten over wel 40 cm
en verspreidt een zure, azijnachtige geur.
De verpopping gebeurt in de grond in een cocon
waarin gronddeeltjes en houtsnippers verwerkt zijn.
 
 
 
 
Terug naar:

Home
Vlinders
Soortbeschrijvingen