
De hoofdvliegtijd van de wilgenhermelijnvlinder
ligt tussen begin mei en half augustus.
Er wordt gevlogen in twee 2 generaties.
Het is in ons land zeker geen gewone soort en bovendien zijn er
flinke gebieden waar de vlinder helemaal niet wordt waargenomen.
De vlinder heeft een spanwijdte van 35 – 45 mm.
De kleine hermelijnvlinder en de berkenhermelijnvlinder zijn erg gelijkende soorten.
De kleine hermelijnvlinder is de kleinste met het minste contrast.
De wilgenhermelijnvlinder heeft t.o.v. de kleine hermelijnvlinder
meestal een breder middenveld met donkerder randen.
De berkenhermelijnvlinder heeft witte grondkleur en een egaal
donker middenveld en een vlek in de vleugelpunt in dezelfde kleur,
dit werkt zeer contrastrijk.

Wilg en (vooral ratel-)populier vormen het voedsel van de rups.
De jonge rups zit graag in de zon op de bovenkant van een blad.
Hij wordt tot 40 mm lang en heeft een helder groen lijf
met een bruine rugtekening in de vorm van een zadel met de punten
naar beneden reikend op segment 6 en 7 en geelachtig wit afgezet.
In plaats van naschuivers is hij in het bezit van lange dunne uitsteeksels.
Van de zijkant gezien vallen de roodachtig gevlekte borst-
en buikpoten op en de stigma's in dezelfde kleur.
De rups maakt een langwerpige cocon met houtsnippers daarin verwerkt.
Terug naar: