
De waterlelievlinder is een bijzonder vlindertje.
Ondanks dat ze vrij algemeen is laat ze zich zelden zien.
Overdag verschuilt hij zich in de plantengroei aan de waterkant,
maar ’s avonds vliegt hij laag over het water.
De nectar haalt ze niet uit de waterlelie, zoals de naam zou doen vermoeden,
want die heeft aan het eind van de dag haar bloemen al gesloten.
Het is de gele plomp die het vlindertje van nectar voorziet.
De lelie echter wordt door het motje gebruikt voor het leggen van de eitjes.
Dat doet het vrouwtje aan de onderkant van het blad.
De eitjes, en later de rupsen, leven dus onder water.
De rups leeft in een kokertje dat hij uit twee elliptische bladstukjes heeft samengesponnen.
Hij zakt in de winter naar de bodem en komt in het volgend voorjaar
pas naar boven op het moment dat ook de planten weer gaan bloeien.

Behalve op waterlelie leeft de rups ook op fontijnkruid en kikkerbeet.
Hij mineert eerst in het blad, daarna bijt hij een ovaal stuk blad af
en spint ze dit over de onderkant van het blad waarmee ze zich voedt.
Vaak wordt er ook uit 2 stukjes blad een transportabel huisje of zakje gebouwd.
In de eerste 2 stadia kan het rupsje zuurstof uit het water opnemen door de huid.
In het derde stadium ademt de rups atmosferische lucht d.m.v. tracheeën
uit de luchtbel in haar behuizing.
De lucht wordt regelmatig ververst, doordat de rups
de voorkant van haar lichaam boven het wateroppervlak uitstrekt.
Verpopping vindt plaats in haar huisje aan een stengel ongeveer 5-10 cm onder water.
Bij het uitkomen is de mot door lucht omgeven en wordt zo direct
naar het wateroppervlak getransporteerd, waarna de vleugels zich kunnen strekken.
Van de soorten met onder water levende rupsen komt de waterlelievlinder het meest voor.
De vrouwtjes, die meestal een stuk groter zijn dan hun echtgenoten
halen een spanwijdte van soms wel 34 mm.
De soort is behoorlijk variabel en er zijn zelfs donkere,
saai aandoende exemplaren terwijl anderen
een zeer aandoenlijk patroon hebben van witte vlekjes en strepen.
De vlinder heeft een vliegtijd van half mei tot begin oktober, met een piekje in augustus.
Het is in bijna geheel Nederland een gewone soort.
De rupsen zitten vaak in tuinvijvers,
vandaar dat ook de vlinders dikwijls in tuinen opduiken.
Terug naar: