
De wachtervlinder vliegt gedurende zeer lange tijd,
namelijk van half september tot in april; een echte wintersoort dus.
Hij wordt 's winters regelmatig op verlichte vensters aangetroffen.
De vlinder voedt zich in de herfst met gevallen vruchten,
in de winter met boomsappen en in het voorjaar met bloeiende katjes.
Met een spanwijdte tot 48 mm is het een typisch uiltje.
Het oranje vlekje tussen de twee witte stippen
is variabel van kleur en kan ook wit of geel zijn.
De wachtervlinder is een gewone soort die in het hele land voorkomt,
met name op de zandgronden en in bosachtige gebieden.

Jaarlijks is er één generatie.
De rupsen, die op loof en fruitbomen leven, zijn zeer vraatzuchtig,
ze eten ook de rupsen en larven van andere insecten en zelfs elkaar.
Het rupsenlijf wordt tot 50 mm lang, is donker fluweelachtig bruin
of bijna zwart met een serie witte tekens in het stigma-deel,
het duidelijkst op de thoraxsegmenten 1 en 3
en op de achterlijfsegmenten 2 en 8.
De kop is roodachtig bruin met veel zwart
en het nekschild is zwart met twee oranje strepen.
Jonge rupsen, maar ook oudere, leven tussen samengesponnen bladeren.
De rups is vooral nachtactief.
Hij verpopt zich in een aardcocon.
Terug naar: