
De Nederlandse waarnemingen liggen tussen 29 maart en 26 mei.
Het aantal vindplaatsen van de vroege dwergspanner is zeer beperkt.
In de buurt van Vijlen, Zuid-Limburg, is de vlinder
redelijk aanwezig en ook in Friesland is een vindplaats.
Uiteraard moet worden gezocht in naaldbossen met fijnspar,
de voedselplant van de rups.
De vlinder is goed herkenbaar aan het merkwaardige donkere middenveld
op de voorvleugels, waarvan de binnenrand een zeer scherpe hoek
naar binnen maakt, terwijl de buitenzijde bijna recht
van de voorrand naar de binnenrand loopt.
De stigmavlek bevindt zich nog maar net in deze band
en raakt (soms bijna) de buitenrand.
De grondkleur van de voorvleugel is grijsbruin, die van de middenband
roodbruinachtig grijs en is in elk geval donkerder dan de rest van de vleugel.
De naam lanceata (Latijn lancea=lans) slaat op de spitse vorm van de voorvleugels.
De vlinders laten zich weinig zien, soms zitten rustende vlinders op boomstammen.
De vroege dwergspanner is schemerings- en nachtactief en komt op licht.
De eiafzetting vindt plaats op verse naalden.
Het jonge rupsje leeft op verse naalden,
de grotere rups eet ook oudere naalden.
Behalve op fijnspar is de rups ook wel te vinden op lariks en den.
De rupsen zijn voornamelijk bruin van kleur
en zijn tussen de naalden nauwelijks te zien.
Ze zijn te vinden in juni.
Terug naar: