Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!

Voortplanting


 
Het enige doel in het vlinderleven is het vinden van een partner van het tegenovergestelde geslacht
om zich te vermenigvuldigen en de soort in stand te houden.
Vele van hen weiden zich zó totaal aan deze taak, dat ze van elk voedsel afzien,
uitsluitend het liefdesleven bedrijven en na de paring of het afzetten van de eieren sterven.
Bij veel soorten vindt de paring al kort na het uit de pop komen plaats,
bij andere zijn de vlinders pas later geslachtsrijp.
Het laatste is vooral het geval bij soorten die als vlinder overwinteren
en pas daarna in het voorjaar paren.
Bij de meeste vlinders beginnen de vrouwtjes onmiddellijk na de paring
met het afzetten van de eieren.

De mannetjes moeten bij het verwerven van een 'bruid' echter wèl haast maken,
omdat de vrouwtjes niet zonder meer op hen blijven wachten.
onafhankelijk van de paring komen de eicellen tot rijping
en worden dan door veel soorten ook onbevrucht afgezet.
Bij sommige insecten en slechts bij enkele vlinders
komen deze eieren dan toch uit (parthenogenese).
Bijvoorbeeld leden uit de zakdragerfamilie kunnen zich
op ongeslachtelijke wijze voortplanten.

Zoeken van een partner
Als regel bestaat de opgave van het mannetje uit het vinden van een vrouwtje.
Veel dagvlindersoorten voeren regelrechte baltsvluchten uit.
Dingen er meerdere mannetjes naar de gunsten van een vrouwtje,
dan komt het vaak tot turbulente luchtgevechten en jagen ze elkaar achterna.
Bij het zoeken naar een partner verlaten dagvlinders zich op hun ogen
en oriënteren zich zich bijna uitsluitend op kleur.
Vorm en grootte van het vrouwtje spelen slechts een ondergeschikte rol.
Zo kan het gebeuren dat ze een baltsvlucht voor een kleurig door object uitvoeren,
in de veronderstelling dat ze een vrouwtje voor zich hebben.

Nachtvlinders daarentegen vinden hun partners hoofdzakelijk met hun reukorganen.
Bij veel soorten hebben de vrouwtjes een klier aan hun achterlijf,
waaruit zij speciale geurstoffen kunnen afscheiden.
Door het verspreiden van deze lokstoffen geeft het vrouwtje aan
dat ze bereid is tot paren.
Deze geurstoffen zijn soortspecifiek en zó intensief
dat de betreffende mannetjes over een afstand van vele kilometers worden aangelokt.
Met hun veervormige sprieten kunnen de mannetjes de geurmoleculen uit de lucht opvangen.

De paring

lindepijlstaarten

Dagvlindervrouwtjes geven hun bereidheid om te paren te kennen
door met neergeklapte vleugels en omhooggericht achterlijf
op een bloem te gaan zitten en haar gehele lichaam te laten trillen.
Nu kan het mannetje met de paring beginnen door zijn uitwendige genitaliën
met de passende uitwendige genitaliën van het vrouwtje te verankeren.
Deze 'verankering' is bijzonder hecht en het paartje kan zelfs gedurende de paring vliegen.
Hierbij vliegt één van de partners (meestal het mannetje)
en laat de ander zich geheel bewegingsloos meevoeren.

De organen voor de paring zijn bij het vrouwtje inwendig.
Bij het mannetje bestaan deze organen hoofdzakelijk
uit uitwendige aanhangsels aan het achterlijf.
De paringsorganen werken volgens het sleutel/slotprincipe, wat wil zeggen
dat ze uitsluitend passen bij partners van dezelfde soort.

Bij nachtvlinders vindt de paring meestal op de grond plaats,
maar ook op boomstammen, stenen of soortgelijke rustplaatsen.
Bij de paring zitten de mannetjes dan meestal met de kop naar beneden.
Bij dagvlinders duurt de paring gewoonlijk enkele uren,
nachtvlinders blijven vaak maximaal twee dagen met elkaar verbonden.

Gewoonlijk wordt het vrouwtje slechts éénmaal bevrucht.
Paring en bevruchting vinden bij vlinders onafhankelijk van elkaar plaats.
De overgedragen zaadcellen worden door het vrouwtje in een blaasje opgeslagen
en de eieren worden bij het afzetten stuk voor stuk bevrucht.

Afzetten van de eieren
Na de paring begint het vrouwtje met het afzetten van de eieren.
De eieren (de aantallen kunnen verschillen van enkele dozijnen
tot meerdere duizenden) worden door de vrouwtjes meestal rechtstreeks
op de voedselplanten van de rupsen afgezet.
Het afzetten gebeurt òf afzonderlijk òf in hoopjes van meer of mindere aantallen.
Er zijn ook soorten die de eitejs onwillekeurig tijdens het vliegen laten vallen.
Voor het afzetten op voedselplanten wordt een kleverig en waterbestendig eiwit gebruikt
dat door speciale klieren in de eileider wordt afgescheiden.

Vlindereieren komen in bijzonder veel vormen en fijne structuren voor
en zijn per soort of geslacht specifiek.
Aan de grove uiterlijke vorm kan in de meeste gevallen al bepaald worden
tot welke familie het ei behoort.
Het oppervlak van de eierschaal is meestal korrelig of netvormig
en bovendien nog door lengte- en dwarsribben versterkt.
Bij het afzetten is de schaal nog zacht maar na enige tijd verhard hij.

landkaartje

Ontwikkeling van de rups
De ontwikkeling van de rups begint meteen na de bevruchting,
waarbij de duur afhankelijk is van de soort en de temperatuur.
Over het algemeen ligt de ontwikkelingsduur tussen de tien en twintig dagen.
Temperaturen boven de 40˚ C en onder de 0˚ C kunnen voor het embryo in het ei dodelijk zijn.
Alleen de eieren die in de vrije natuur overwinteren zijn op de koude temperaturen ingesteld.
Hier wordt de ontwikkeling van het rupsje in een vroeg stadium onderbroken
door een zogenaamde diapauze, om in het voorjaar weer voortgezet te worden.
Bij enkele soorten ontwikkelt zich in de herfst al een kant en klaar rupsje
in het ei dat echter wel in de beschermende eierschaal overwintert
en pas bij de eerste warme voorjaarsdagen uitkomt.

Rups als vreetstadium

koninginnepage

Vreten, vreten en niet gevreten worden, zo kan het leven van een rups worden samengevat.
Voor elke rups geldt vreten, groeien en energie verzamelen
voor de latere gedaanteverwisseling tot volgroeide vlinder.

Meteen na het uitkomen begint de rups aan zijn levenstaak door onmiddellijk
de dooierresten en eierschaal op te vreten.
Vervolgens ontfermt hij zich over de voedselplant.
De eetlust van sommige rupsen is ronduit verbluiffend.
Verreweg de meeste rupsen zijn vegetariër,
hoewel er ook soorten zijn die dierlijke stoffen consumeren.
Talrijke rupsen zijn monofaag, wat betekent dat ze slechts planten
van één soort of geslacht als voedsel accepteren en liever verhongeren
dan dat ze met andere planten genoegen zouden nemen.
De meeste soorten zijn echter polyfaag, wat wil zeggen
dat ze meerdere plantensoorten of geslachten als voedsel accepteren.
Vaak hebben rupsen echter wel een voorkeur.

Bij de rupsen treffen we een even grote verscheidenheid
van kleuren en vormen aan als bij de vlinders.
Maar in lichaamsbouw zijn alle rupsen gelijk.
Een rupsenlichaam bestaat uit een kop, drie borstsegmenten en 11 achterlijfsegmenten.
De kop bestaat uit meerdere enkelvoudige ogen en de zeer belangrijke monddelen.
Elk borstsegment draagt een paar gelede borstpoten, de achterlijfsegmenten
zijn echter voorzien van 'onechte poten' (buikpoten of naschuivers).
Het aantal buikpoten verschilt van familie tot familie.
Alle rupsen bezitten gepaarde spinklieren aan weerszijden van de darm,
die vooral bij de spinners zeer goed zijn ontwikkeld.

Wie veel vreet, groeit ook snel.
Nu is de rupsenhuid niet onbeperkt rekbaar,
zodat deze bij toenemende lichaamsgrootte moet worden vernieuwd.
Onder de oude, te klein geworden huid, vormt zich een nieuwe, ruimere, in plooien gevouwen huid.
De vervelling zelf wordt door verschillende hormonen op gang gebracht en gestuurd.
De meeste rupsen krijgen bij elke vervelling een ander uiterlijk.
De oude huid wordt gewoonlijk opgevreten.
De tijdsduur van het rupsenstadium is zeer verschillend.
Bij veel soorten duurt deze drie tot vier weken, maar bij overwinterende rupsen
vele maanden en er zijn soorten die meerdere jaren als rups doorbrengen.

Pop als ruststadium

keizersmantel

Voor de verpopping waarbij de gedaantewisseling
van de aan de aarde gebonden, vretende rups, tot stand komt, zoeken de rupsen
niet zelden op grote afstand van de voedselplant een beschutte plek.
Sommige rupsen kruipen in de grond en vormen met behulp
van een slijmerige afscheiding een gladwandig holletje waarin ze dan verpoppen.
De pas uitgekomen vlinder moet zich dan eerst door de grond worstelen om in vrijheid te komen.
Rupsen van spinners spinnen voor de verpopping een cocon die,
afhankelijk van de soort, uit meer dan een kilometer lange zijden draad kan bestaan.
Rupsen van dagvlinders maken een vast spinsel aan twijgen of bladeren
waaraan ze zich vrij zichtbaar verpoppen.

Een vlinder komt uit
Afhankelijk van de soort duurt het popstadium enkele dagen
tot meerdere jaren en is alleen uiterlijk een ruststadium.
In het popomhulsel vinden grote veranderingen plaats en ontwikkelt zich de vlinder.
Het eigenlijke uitkomen duurt in de meeste gevallen slechts enkele seconden.
De vleugels van de vlinder zijn bij het uitkomen nog vliezige, sterk geplooide 'lapjes'.
Om ze te kunnen ontplooien gaat de vlinder ergens hangen
en pompt vervolgens lucht en bloed in de vleugeladers.
Na ongeveer tien minuten zijn de vleugels geheel ontplooid
en na één tot zeven uur verhard.
Alvorens voor het eerst te gaan vliegen loost de vlinder eerst
de tijdens het popstadium gevormde afvalstoffen, de 'pop-urine',
waarna zijn min of meer lange leven als vlinder begint
en hij zijn best gaat doen voor het vinden van een partner.
 
 
 
 
Terug naar:

Home
Vlinders