
De voorjaarsboomspanner, met een spanwijdte tot 38 mm,
is een heel licht gebouwde, weinig spectaculaire soort
die doet denken aan een uit zijn krachten gegroeide mot.
Hij vliegt in het voorjaar, vaak al in februari tot mei.
De vrouwtjes zijn ongevleugeld, maar de mannetjes
kunnen wel vliegen en komen graag op licht af.
In rusthouding heeft hij de voorvleugels over elkaar heen gevouwen
en zit hij op stammen of op gevallen blad.
Vleugelloze vrouwtjes komen vaker voor bij in de winter vliegende spanners.
Verklaring: er zijn minder predatoren in de winter,
de herfstwind heeft minder vat op het dier en er zijn meer mogelijkheden
om een zwaar met eieren gevuld achterlijf te ontwikkelen.
De soort heeft één generatie per jaar.
De eitjes worden in groepjes rond een takje afgezet
en veelal met achterlijfsharen bedekt.
De rups leeft op allerlei loof- en fruitbomen.
Hij heeft een slank groen lijf met veel dunne, witte lijnen
op de rug en een bleek gele lijn onder de stigma's.
De kop is groen en op het 5e abdominale segment zit een rudimentaire buikpoot;
dit onderscheidt hem van vele andere spannerrupsen.
De rups wordt tot 30 mm lang.
De pop overwintert in een cocon in de grond.

Het is een gewone soort die in het hele land op de hogere gronden voorkomt.
Daarnaast wordt hij ook in de duinen aangetroffen,
maar ook buiten deze gebieden komt hij wel voor en hij is met name te vinden
in bosgebieden, boomgaarden, houtwallen, parken en tuinen.
Terug naar: