
De vliervlinder is in het hele land algemeen zonder biotoopvoorkeur.
Hij is te zien in tuinen, langs hagen en op terreinen met struiken.
Wel heeft hij een voorkeur voor klimop en meidoorn.
Hij vliegt van begin juni tot half oktober in twee generaties.
De vlinder vliegt vooral in de schemering en komt nu en dan op lamplicht af.
Overdag is hij rustend aan te treffen op boomstammen en bladeren,
verscholen onder het lover en vaak vrij laag bij de grond.
De vliervlinder is een roomwitte vlinder met kenmerkende stipjes aan de achtervleugels.
De voorvleugel bezit twee smalle, bruine dwarsbanden, de achtervleugel één.
Aan de achtervleugels zit een kort staartje met daarvoor
een kleine oogvlek met rode kern.
De spanwijdte ligt tussen de 40 - 50 mm en daarmee
behoort hij tot de grootste Europese spanners.

De bruine rups lijkt uitgesproken op een dor takje en is in het gebladerte
nauwelijks te vinden, zolang zij zich maar stil houdt.
Ze leeft bij voorkeur op vlier en daarnaast ook op klimop,
meidoorn en sleedoorn.
Vanaf augustus tot juni van het volgend jaar is hij te zien.
De pop hangt aan enkele dunne draadjes te bengelen
aan een twijg of blad van de voedselplant.
Terug naar: