
Vlinders zijn in het bezit van een lange roltong.
Deze bestaat uit de sterk verlengde kaaklobben van de onderkaak
die in de lengte met elkaar verbonden zijn en een beweeglijke buis vormen.
Wanneer deze 'zuigbuis' niet wordt gebruikt, bevindt hij zich
als een opgerolde horlogeveer onder de kop.
Hij kan worden uitgerold door middel van spieren
en verhoging van de bloeddruk in de onderkaak.
Het uiteinde van de roltong is uitgerus met tast- en smaakorganen.
Naast de roltong bezitten de vlinders nog andere monddelen
die als reuk- en smaakorganen dienst doen.
Bij veel vlinders is de reukzin ongelooflijk goed ontwikkeld.
Dit valt op te maken uit de vorm van de sprieten, die niet draadvormig
of knotsvormig verdikt zijn, maar gezaagd, getand of geveerd, waardoor het oppervlak
van de spriet aanmerkelijk is vergroot en met meer reukcellen is bezet.
De reukzin speelt vooral een rol bij het vinden van een partner.
Bij veel soorten kan het mannetje de door het vrouwtje uitgescheiden geurstoffen
over afstanden van enkele kilometers waarnemen.
Maar de reukzin dient ook, met name bij ’s nachts vliegende soorten,
om voedselbronnen op te sporen, of om geschikte waardplanten
te vinden voor de rupsen.

De vleugels bestaan elk uit twee vliezige dubbele huidlagen
waardoorheen chitineuze aderen lopen, die het tere maaksel de nodige stijfheid geven.
Door deze aderen lopen ook de zenuwen, bloedvaten en luchtbuisjes.
Hun kleuren danken de vleugels aan ontelbare schubben die op de vleugels staan gerangschikt.
Deze schubben zijn niets anders dan verbrede en afgeplatte haren
die als dakpannen over elkaar liggen.
Hun kleuren danken ze òf aan de pigmenten die ze bevatten
òf aan de breking van het licht als gevolg van hun struktuur.

Het achterlijf van de vlinders is langwerpig cilindrisch
en bij vrijwel alle vlinders is het achterlijf beschubd en behaard.
Het oorspronkelijke uit twaalf segmenten bestaande achterlijf van insecten
is bij de vlindermannetjes tot acht en bij vlindervrouwtjes tot zeven segmenten gereduceerd.
Uit de resterende segmenten werden de uitwendige geslachtsorganen gevormd.
Deze zijn van soort tot soort verschillend en vormen soms
het belangrijkste determinatiekenmerk.
Bij de vrouwtjes mondt aan het uiteinde van het achterlijf de enkelvoudige eileider
in een meer of minder uitstulpbare legbuis uit.
De geslachtsopening ligt aan de buikzijde.
Aan het uiteinde van het achterlijf kunnen zich ook geurorganen bevinden,
waaruit seksuele lokstoffen kunnen worden afgescheiden.
Terug naar: