
De tweestreepvoorjaarsuil is een zeer variabele soort.
Hoe meer de vleugels getekend zijn, des te makkelijker de determinatie,
maar er zijn ook exemplaren met amper tekening op de vleugels.
Daarnaast kan er ook verschil optreden in de grondkleur, van grijzig naar roodbruin.
Toch zijn meestal de twee strepen waar de soort naar is genoemd wel te zien.
T.o.v. de sierlijke voorjaarsuil heeft hij bredere voorvleugels
met afgeronde vleugelpunten; verder een nagenoeg rechte golflijn
en relatief grote vlekken die dicht bij elkaar staan.
De vlinder heeft een spanwijdte tot 40 mm en is een gewoon voorkomende soort
op met name zandgronden en in bosachtige streken.
De vliegtijd valt van eind februari tot begin juni,
waarbij er in één generatie gevlogen wordt.
Overdag is de vlinder in rust tegen boomstammen.
Wilgenkatjes leveren de vlinders voedsel en vormen tevens de paringsplaats.
Op warme avonden zwermen ze zelfs rond de katjes.

De rupsen vinden we in mei en juni op verschillende bomen, waaronder eik en wilg.
Het zijn vooral zaailingen waarnaar de voorkeur uitgaat.
Na regen en wind ziet men ze tegen de stammen omhoog kruipen.
Het rupsenlichaam is lichtgroen met veel witte stipjes.
Een goed kenmerk zijn de witte dwarsstreepjes bij het nekschild
en voor het laatste segment met de witte ruglijn.
De pop overwintert.
Terug naar: