
De vliegtijd van de tere zomervlinder ligt tussen half juni
en eind augustus waarbij er één generatie is.
Het is in Nederland een zeldzame vlinder die verspreid
over het hele land voor kan komen.
Met een spanwijdte van 28 – 32 mm is het relatief een vrij grote vlinder.
Hij is blauwgroen van kleur met gebogen, niet getande, dwarslijnen.
De eieren worden op elkaar in een 'torentje' afgezet in juli.
De rups overwintert op de waardplant (bosrank,
gekweekte Clematis) en wordt daarbij bruin.
Na de overwintering wordt het eten voortgezet
en wordt de rups, zonder te vervellen, weer groen.
De rups wordt tot 30 mm lang.
Het lijf heeft onduidelijke witte lijnen en kleine witte knobbeltjes
en soms met een roodachtig dorsale lijn.
De kop is bruinachtig en diep gespleten en de rups
heeft een dubbelpuntig ornament dat naar voren is gericht op segment 1.
Hij rust in 'takjeshouding' en slechts het uiterste lijfachtereind
blijft in contact met de ondergrond.
Hij verpopt uiteindelijk in samengesponnen bladeren.

Terug naar: