
De tauvlinder is in ons land sterk geconcentreerd rond de beukenbossen
van de Veluwe, daarbuiten wordt de vlinder nauwelijks gezien.
De vliegtijd van deze overdag vliegende nachtvlinder
ligt tussen begin april en eind mei.
In die tijd is er één generatie.
De vlinder heeft een onstuimige, zigzaggende vlucht
en vliegt meestal ’s middags in de zonneschijn.
De donkerbruine tot okergele vleugels hebben een spanwijdte van 55 – 85 mm.
Hierbij is het vrouwtje groter en lichter van kleur dan het mannetje.
Elke vleugel heeft een zwart omringde, blauwe oogvlek,
die in het centrum vaak een nagelvormige, witte vlek heeft.
Op onderzijde zitten alleen op de voorvleugels oogvlekken.
De vlinders zijn, zittend tussen de afgevallen beukenbladeren,
nagenoeg niet te vinden.
Het mannetje is overdag en 's avonds actief
en tijdens de vlucht goed te volgen;
het vrouwtje wacht met opgeklapte vleugels en met een
van eieren bolstaand lijf op afgevallen bladeren,
tegen een takje of tegen een stam.
Ze lokken de wild vliegende mannetjes aan met sekslokstoffen.
De paring geschiedt in de namiddag.
De eiafzetting vindt plaats in de late avond, eerst in groepjes,
later stuk voor stuk, soms bovenin beuken.
De eieren zijn koffiebruin en vlakovaal.

De rupsen zijn te zien van mei tot augustus.
In een jong stadium hebben de groene rupsen van boven gespleten,
rood-witte, geweivormige doorns op de rug (5 in getal).
De volgroeide rups is eveneens groen
met een witte flankstreep en heeft geen doorns meer.
Het lichaam is dan wat hobbelig en wordt naar de kop toe smaller.
Aan de zijkanten van segment 4 bevindt zich een rode vlek met zwarte kern.
Meestal dient de beuk als voedselplant, slechts zelden
is de rups op andere bomen te vinden.
De pop overwintert in een los spinsel onder het mos.
Terug naar: