Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!

Spardwergspanner

Eupithecia abietaria
Spanners

De spardwergspanner vliegt van half mei tot half juli in één generatie.
Gezien de levenswijze is de vlinder gebonden
aan naaldbossen en dus aan zandgronden.
De vlinder wordt weinig gezien, maar deze zeldzaamheid zal vrij relatief zijn.
Gericht zoeken kan wellicht meer gegevens opleveren.
In 2001 is deze soort wat vaker geregistreerd.

De spardwergspanner behoort met een spanwijdte van 21 – 23 mm
tot de grootste Eupithecia-soorten van ons land.
Hierdoor is hij duidelijk herkenbaar, maar kleine exemplaren komen ook voor.
Op de vleugels zit een duidelijke, dikke stigmavlek.
Deze nachtvlinder wordt aangetrokken door licht.

De vlinder lijkt enigszins op de gallendwergspanner
en op de fijnspardwergspanner.
Van de laatste is hij te onderscheiden doordat hij bruine tinten
op de voorvleugels heeft, terwijl de fijnspardwergspanner
beslist alleen grijs getint is.
De gallendwergspanner verschilt met name in de buitenste (lichte) golflijn,
welke bij de spardwergspanner scherp en grof getand is
en bij de gallendwergspanner ronder en flauwer.
Duidelijk verschil is er in de lengte van de palpen (monddelen),
die bij de gallendwergspanner bijna de helft langer zijn.

De rups leeft van de onrijpe zaden in de nog groene kegels
van enkele naaldbomen, met name (zilver)sparren.
De vrouwtjes zouden de eieren vooral in de toppen van oudere bomen afzetten
op de sparrekegels, maar ook in lager hangende kegels
moeten rupsen te vinden zijn.
Het rupsje leeft in de kegel en maakt daar gangen.
Er zit altijd maar één rupsje in een kegel.
De pop overwintert.
 
 
 
 
Terug naar:

Home
Vlinders
Soortbeschrijvingen