
De snuitvlinder is in bomenrijke gebieden een gewone soort.
Hij vliegt van half april tot eind augustus in twee generaties.
De vlinder heeft een spanwijdte van 35 – 55 mm en ziet er bizar uit.
De voorvleugels zijn geelbruin met een onduidelijke camouflagetekening.
De vleugels hebben een gegolfde vleugelrand.
In rust vallen de grote palpen (monddelen) op
alsmede het kroontje op de kop.
Het lijf steekt naar achter uit en vaak schuin omhoog.
In rust lijkt de vlinder op een takje.
De jonge rups leeft tegen een bladnerf van loofbemen, vooral wilg en populier.
De volwassen rups is lichtgroen met zwarte vlekken en gele zijstrepen.
De bovenzijde is blauwachtig grijs.
Het lichaam is langgerekt en rolrond, en wordt tot 40 mm lang.
Grotere rupsen leven verborgen tegen twijgen en onderkant van bladeren.

Terug naar: