
De hoofdvliegtijd van de sneeuwbeer ligt tussen begin mei en begin juli.
Ook in de maanden daarna wordt er nog wel gevlogen
maar late waarnemingen zijn schaars.
De vlinder vliegt in één en soms twee generaties.
Er is in ons land een duidelijke concentratie in Zeeland en directe omgeving.
Daarbuiten komt hij nog voor in een paar vochtige gebieden
zoals in de Peel, in de Kop van Overijssel plus het aansluitende zuiden
van Friesland en in de natte gebieden boven Amsterdam.
De vlinder in rust is te vinden in de vegetatie.
Hij kan geen voedsel opnemen.
T.o.v. verwante beren heeft hij smalle vleugels (vooral mannetje).
De spanwijdte bedraagt 38 – 46 mm.
Hij is niet altijd makkelijk van de witte tijger te onderscheiden
van wie het aantal stippen op de vleugels varieert.
De eitjes worden in groepen afgezet.
De rups is te vinden van juli tot oktober en leeft van lage (water)planten.
Hij is tot 45 mm lang en heeft een donker bruin lijf
met een rossig bruine dorsale lijn en diep bruine beharing.
De kop en buikpoten zijn bleekbruin.
De rupsen veranderen met de vervellingen.
De pop overwintert in spinsel op de grond.
Rups en pop worden zelden gezien.
Terug naar: