
De smalvleugeldwergspanner vliegt in twee generaties
van half maart tot half september.
Hij is gebonden aan zandgronden en heideterreinen.
Op de vliegplaatsen zijn beide generaties van de vlinder zeer algemeen.
De kenmerken van de smalvleugeldwergspanner zijn: spitse voorvleugels,
grijs-wit getekend met een duidelijke witte (pijl)vlek
aan de binnenzijde van de stigmavlek.
De achtervleugels zijn licht- tot donkergrijs met een brede
donkere achterrand, in tweeën gesplitst door een brede golflijn.
Het is een van de eenvoudigst herkenbare 'grijze' Eupithecia's.
In rust vormen de voorste vleugelranden een gestrekte lijn.
De soort is bovendien vrij klein (spanwijdte tot 17 mm),
maar even groot als de dwarsbanddwergspanner.
Deze laatste heeft minder spitse voorvleugels, bezit een lichte dwarsband
aan de buitenzijde van de stigmavlek en de lichte achtervleugels hebben een duidelijke
donkere achterrand die niet gesplitst wordt door door een brede golflijn.
De naam nanata (Latijn nanus = dwerg) slaat op de geringe afmeting van de vlinder.
Overdag is de soort uit de heide op te jagen.
De vlinder is schemerings- en nachtactief en komt goed op licht.
De rups leeft van de knoppen, bloemen en jonge groeipunten van struikhei,
en soms ook op duizendblad en alsem, maar in veel kleinere aantallen.
De eerste generatie rupsen is in juni aanwezig, de tweede
vanaf half augustus tot half september.
De rupsjes zijn variabel in kleur en tekening, van groen tot bontgetekend.

Terug naar: