
De vliegtijd van de silenedwergspanner valt tussen half april
tot half juni met de piek eind mei/begin juni.
Hij vliegt hierbij in één generatie.
De vlinder wordt vrijwel uitsluitend in Zuid-Limburg gevonden,
waar de blaassilene soms veelvuldig voorkomt.
Hij houdt van warmte en zon maar wordt echter zelden gezien.
Om de soort te traceren is het noodzakelijk te zoene naar rupsen.
De vlinder is een van de fraaiste Eupithecia-soorten
en niet met enig andere soort te verwarren.
Venosata betekent geaderd en slaat op de tekening van de vleugels.
De spanwijdte bedraagt 17 – 22 mm.
In rust zit hij altijd met plat uitgespreide vleugels.
De belangrijkste voedselplant is de blaassilene, maar de rups
wordt soms ook gevonden op dagkoekoeksbloem.
De rups leeft in het vruchtbeginsel en de zaaddozen
en is makkelijk op te sporen aan de hand van gaatjes
in de 'blaas' van de bloem.
De rupsen zijn zogenaamde 'moordrupsen', wat wil zeggen
dat ze geen soortgenoten in hun nabijheid dulden.
De jonge rups is donker glanzend, bijna zwart; de oudere rups heeft
lichte onder- en zijkanten met op de rug een brede, donkere band.
De bezette bloem wordt dichtgesponnen.
Als de bloem is leeggevreten wordt in de nacht
overgestapt op een nieuwe bloem.
Er wordt overwintert als pop.
Terug naar: