
De seringenvlinder komt voor in het gehele land
maar is nergens een gewone verschijning.
Hij leeft in bossen, tuinen en houtwallen.
De soort heeft één of twee generaties per jaar waarbij er
gevlogen wordt van begin juni tot eind juli en soms tot in september.
Hij heeft een spanwijdte tot 42 mm.
Ongewoon aan deze vlinder is de manier waarop hij in rust
het voorste deel van de vleugels opvouwt.

De rups leeft van augustus tot juni (overwintert) op vlier,
kamperfoelie, sering, liguster en es.
Hij verpopt zich in een cocon onder aan een blad van de voedselplant.
De bruine pop lijkt verbluffend veel op een dor blad.
Terug naar: