
De schijn-nonvlinder is in ons land een zeer lokaal voorkomende soort.
Het voorkomen concentreert zich in de provincie Drenthe
en in het Fries- Drenthse grensgebied, waar sparrenbossen voorkomen.
Midden vorige eeuw waren er ook nog vlieggebieden in Limburg,
maar daar is nu niet veel meer van terug te vinden.
De vlinder vliegt van half mei tot half juli in één generatie.
Het lichaam van de vlinder is wit met een zeer
contrastrijke tekening van zwarte banden en vlekken.
De spanwijdte varieert van 40 – 50 mm.
Hij lijkt op de nonvlinder maar deze heeft bredere vleugels.
Vliegend in de nacht wordt de soort aangetrokken door licht.
De eieren, die afgezet worden in groepen rond een naald,
krijgen een roodbruine kleur.
De eirupsen leven eerst in groepen maar gaan later uit elkaar
en de volwassen rups leeft solitair.
Hij heeft een bonte kleur en beharing.
De rups wordt echter zelden gezien.
Hij leeft van augustus tot oktober op spar (voorkeur), den en lariks.
In de bruine cocon op de grond zitten rupsharen verwerkt.
De pop overwintert.
De soort wordt meestal tot een aparte familie der donsuilen gerekend.
Terug naar: