
Het rood weeskind komt in geheel Nederland voor, vooral in lichte,
vochtige loofbossen, houtwallen, heggen, parken en tuinen.
Er is één generatie per jaar waarbij er gevlogen wordt
van begin juli tot begin november.
De vlinder vliegt op zwoele middagen wanneer ze rond boomtoppen zwermen.
Het is een bezoeker van rottend fruit en rust in de schaduw tegen stammen en muren.
De spanwijdte kan oplopen tot 75 mm.
De voorvleugels zijn grijs met donkere zigzagbanden.
De achtervleugels zijn helder rood met zwarte zoom- en middenband,
aan de rand zijn ze wit.
Tegen boomschors is hij goed gecamoufleerd.
Bij onrust worden de voorvleugels gespreid,
zodat de bonte achtervleugels zichtbaar worden.

De eieren, apart of in groepjes, overwinteren in bastscheuren.
De rups leeft in mei en juni en vermomt zich als takje op populier en wilg.
’s Nachts gaat hij aan de maaltijd.
Overdag zit graag tussen de bastspleten onderop oudere populieren
maar hij kan zich ook zeer goed tegen takjes kleven.
Hij is plat met knopvormige wratten op de rug
en op die manier bijna onzichtbaar.
Hij verpopt in een cocon in de strooisellaag.

Terug naar: