Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!

Rietvink

Euthrix potatoria
Spinners

De hoofdvliegtijd van de rietvink ligt tussen half juni
en eind augustus waarbij er gevlogen wordt in één generatie.
Hij komt voor in het hele land met voorkeur
voor vochtige gebieden met rietvegetatie.

De voorvleugels, met een spanwijdte van 45 – 65 mm, zijn opvallend breed.
Ze zijn bij het mannetje roodbruin, bij het vrouwtje geelbruin
en met 2 witte vlekjes.
Het vrouwtje is ook groter dan het mannetje.
De vlinder vliegt in de avond en zit overdag verborgen rustend tegen grasstengels.
Rupsen en vlinders uit rietgebieden verschillen van die van elders.
Zowel de mannetjes als de vrouwtjes komen op licht.
De vlinder kan geen voedsel opnemen en sterft kort
na de paring resp. eiafzetting.

De grote, groenwitte, afgeplatte eieren worden stuk voor stuk of in groepjes afgezet.
De rups is te zien vanaf september tot in juni van het volgende jaar.
De halfwas rups overwintert zittend tegen een stengel
en kan dan strenge vorst doorstaan.
Volwassen rupsen zijn goed herkenbaar en soms zonder zoeken
te vinden, vooral op riet.
Behalve riet voedt hij zich ook met harde grassen.
Door deze taaie kost kan het gebeuren dat je dorst krijgt
en de rups staat er dan ook om bekend dat hij drinkt van dauwdruppels.
Het is deze eigenschap die hem de tweede naam 'drinker' bezorgd heeft.

De rups wordt tot 80 mm lang.
Hij heeft een grijsachtig zwart lijf met oranje spikkels
en streepjes in het subdorsale gebied.
Op de rug bevinden zich vele plukjes donker bruin haar
en bij de stigma's plukjes naar beneden gericht wit haar.
Hij verpopt in een taaie, geelachtige, worstvormig cocon tegen een stengel.
 
 
 
 
Terug naar:

Home
Vlinders
Soortbeschrijvingen