
De vliegtijd van het rietluipaard ligt tussen half mei en eind juli.
Er is gedurende die tijd één generatie.
De vlinder komt alleen voor in gebieden met veel riet.
Het is zeker geen gewone soort en is ook in rietgebieden
is hij niet overal in aantal aanwezig.
De mannetjes vliegen laat in de avond en vroeg in de morgen.
Het achterlijf van het mannetje steekt ver achter de vleugels uit.
Vrouwen komen minder op licht dan mannen.
De vinder heeft een spanwijdte van 27 – 50 mm.
De eieren worden per stuk of paarsgewijs afgezet in bladscheden
van (overjarig en in het water staand) riet.
Het rupsje vreet zich de stengel in en heeft 20 maanden nodig
voor zijn ontwikkeling.
Hij verpopt in een rietstengel.
De rups wordt tot 50 mm lang en heeft een vuilwit lijf
met purperbruine subdorsale strepen.
De platte kop is purperachtig bruin en het nekschild bleek bruin.
De rups heeft krachtige kaken die met het taaie riet
ook wel nodig zijn.
Terug naar: