
De hoofdvliegtijd van het papegaaitje is in september en oktober
en na overwintering weer in april en mei.
Hierbij is er slechts één generatie.
Het is in ons land een vrij zeldzame vlinder die verspreid voorkomt
in bosachtige streken, maar niet in het noordwesten.
De spanwijdte bedraagt 30 – 36 mm.
De grondkleur van de voorvleugel varieert van groen tot bruin
en alle tinten daartussenin.
De golflijn is minder goed ontwikkeld dan bij het herfstpapegaaitje
en opgelost in enkele witachtige puntjes of korte, bijna rechte streepjes.
De soort is tussen november en maart weinig actief.
De vlinder verschijnt in deze maanden alleen bij gunstige weersomstandigheden.
Hij bezoekt bloemen, is nachtactief en komt op licht.
De rups leeft van april tot september op allerlei soorten loofbomen
waarop hij overdag te vinden is.
Hij is lang, dun en geelgroen van kleur met een roze tot rode onderzijde.
Soms heeft hij ook een, deels opgeloste, dieprode ruglijn.
Terug naar: