
De vliegtijd van de oranje berkenspanner ligt tussen begin maart en eind mei.
Hierbij vliegt hij in één generatie.
Het is een vrij gewone vlinder op plaatsen waar voldoende berken groeien.
Wel komt hij in het oosten meer voor dan in het westen van het land.
De spanwijdte van deze dagactieve nachtvlinder bedraagt 30 – 40 mm.
De voorvleugels zijn donkerbruin met witte en grijze patronen
van dwarsbanden, de achtervleugels zijn oranje met een bruine tekening.
Hij lijkt wel wat op een uiltje.
De vlinders rusten met opgerolde vleugels op berkentwijgen
en op wilgenbloesem maar zitten ook vrij vaak op de grond.
Ze zuigen aan bloeiende wilgenkatjes en dierlijke excrementen
en ook drinken ze uit vochtige aarde.
Met name de mannetjes vliegen snel heen en weer op zoek naar vrouwtjes.
Ze vliegen langs paden en rond toppen van jonge berken.
Daar worden ook de eitjes afgezet.
Dit gaat als volgt: een vrouwtje gaat op een twijgje zitten en schuifelt
dan achteruit tot ze met haar achterlijf een verdikking voelt,
meestal een knop of een twijgsplitsing.
Daar zet ze dan één of een paar eieren af.
De eitjes kunnen met haren zijn afgedekt.

De rupsjes komen uit het ei als de berkenknoppen openbreken.
Ze zijn te vinden van mei tot juli en leven tussen
de samengesponnen bladeren van de berk.
De rups heeft vier buikpootparen, of iets wat daarop lijkt,
hetgeen ongewoon is bij spanners.
Daarom vormde de soort vroeger een aparte familie.
Hij wordt tot 25 mm lang, heeft een groen lichaam met zes dunne witte strepen
over de rug en flanken en een stevige witte lijn onder de zwarte stigma's.
De kop is geelachtig groen.
De pop overwintert.
Terug naar: