
De mannetjes van Narycia duplicella hebben een spanwijdte
van 9-11 mm, de vrouwtje 7-9 mm.
Het is één van de kleinste soorten zakjesdragers.
De vrouwtjes kunnen echter niet vliegen.
Dit in tegenstelling tot de mannetjes
en die zoeken dan de vrouwtjes maar op.
De vleugels zijn zwart van kleur met contrasterende, witte vlekken.
De mannetjes lijken veel op andere primitieve mottensoorten
met veel rafels aan de vleugels.
De vlinder is niet zeldzaam in loofbossen
en is vaak te vinden op bemoste boomstammen.
Hij leeft maar kort (van april tot juni) en eet niet.
De rupsen overigens leven wel lang: soms wel twee jaar!
Zij bouwen een tot 5 mm lang, plat spinselzakje,
dat met groene algen en mos is bedekt.
Meestal zit hij tegen boomstammen, maar ook tegen hekken
of palen waar hij zich tegoed doet aan korstmos.

Terug naar: