Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!

Nachtpauwoog

Saturnia pavonia
Nachtpauwogen

man

De beide seksen van de nachtpauwoog zijn duidelijk verschillend (seksuele dimorfie).
Het mannetje heeft getekende, bruinachtige voorvleugels
en bruinoranje achtervleugels.
Zijn voelsprieten sterk gekamd.
Het grotere vrouwtje is gelijk getekend, maar dan in roodachtig grijs
en heeft draadvormig gezaagde antennen.
Beide vleugelparen hebben een oogvlek met zwarte kern.
De spanwijdte van de vleugels bedraagt 60-85 mm.
Bij gespreide vleugels zijn de 'ogen' van het mannetje zeer indrukwekkend.

vrouw

Het is een tamelijk algemeen voorkomende vlinder op heidevelden,
droge en matig vochtige graslanden en soortgelijke biotopen.
Hij komt weinig in de duinen voor.

De nachtpauwoog vliegt al vrij vroeg in het voorjaar,
meestal vanaf eind april-begin mei tot in juni.
De mannetjes vliegen zowel overdag als 's nachts.
Het vrouwtje zit overdag stil in de bodemvegetatie
en scheidt vluchtige sekslokstoffen af.
Ze kunnen daar mannetjes over kilometers afstand mee aanlokken,
die met hun gekamde antennes de lokstoffen opvangen.
Vaak arriveren tegelijkertijd meerdere mannetjes
bij het maagdelijke vrouwtje en kan er een competitie ontstaan
om wie er het eerst bij het vrouwtje is om te paren.
Het vrouwtje paart maar een keer in haar leven en na de paring
stopt zij met de afscheiding van seksferomonen.
De verliezende mannetjes moeten op zoek naar een andere partner.

De vlinder heeft geen roltong zodat hij geen voedsel kan opnemen.
Het mannetje sterft vrij snel na de paring en het vrouwtje
vrij kort na het afzetten van de eieren.

De ovale, bruine eieren worden in ringen om dunne twijgjes van de voedselplanten gelegd.
Het vrouwtje produceert een aantal legsels.
De lege eischalen blijven nog lang zitten.
De rupsen ontwikkelen zich op sleedoorn, struikheide,
bramen en andere struik- en kruidachtige planten.
In het begin (mei) zijn ze zwart met oranje en leven in groepjes.
Bij elke vervelling krijgen ze een andere kleurtekening.
Later (juni) worden zij steeds lichter en groener met zwarte banden
en roze wratten en verspreiden zij zich over de voedselplant(en),
waarna ze solitair verder leven.

De volgroeide rups is groen met zwarte dwarsbanden en daarop witte wratten
en wordt 4,5 (m) tot 6 (v) cm lang.
Hij verpopt zich tussen de takken in een flesvormig,
vernuftig gebouwde, zijden cocon met 2 wanden.
De buitenste wand vormt een ronde opening, de binnenste wand
vormt een ring van kegelvormige borstels.
Van binnenuit kunnen de borstels uiteen worden gedrukt,
maar van buitenaf sluiten zij de ingang hermetisch af als een omgekeerde fuik.
Zo kan de vlinder in het voorjaar moeiteloos uit de cocon kruipen,
maar is de pop goed beschermd tegen vijandelijke indringers.
De pop overjaart soms meerdere keren.
 
 
 
 
Terug naar:

Home
Vlinders
Soortbeschrijvingen