Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!

Metaalvlinder

Adscita statices
Bloeddrupjes

De metaalvlinder vliegt van half mei tot begin augustus.
Hij vliegt in 1 generatie.
Het is een soort van zandgronden.
In de duinen wordt de vlinder weinig waargenomen
maar opvallend is het grote aantal meldingen van de Waddeneilanden.

De vlinder vliegt in de zon en zit vaak op distelbloemen, slangenkruid e.d.
Soms zitten meerdere vlinders samen op bloemen.
De bovenzijde van de voorvleugels zijn metaalachtig groen,
soms zelfs blauwachtig of goudkleurig.
De achtervleugels zijn bruingrijs.
De spanwijdte bedraagt 22 – 28 mm.
De mannetjes hebben gekamde antennes en vrouwtjes dunne,
met een verdikking op het eind.

De eiafzetting vindt plaats in groepen aan de onderkant
van een zuringblad in lijnvormige patronen.
Meerdere bladeren van één plant kunnen worden benut.
De rups is te zien van augustus tot mei van het volgende jaar.
Eirupsjes boren zich in het blad en leven daar als mineerders.
Daarbij zijn in tegenlicht het inboorgaatje,
de lange, in het midden met poep gevulde mijn
en het rupsje aan het eind van de mijn goed te onderscheiden.
De rupsen overwinteren als ze nog maar een paar mm groot zijn.
Volwassen rupsen gaan verkwistend om met de voedselplant:
ze knagen zelfs de dikste stengels door.

De rups is levendig getekend maar wordt zelden gezien.
Hij wordt tot tot 15 mm lang.
De kleur van het lijf varieert van bleek groen
tot geelachtig groen of van rozig grijs tot vuilwit.
Het rugpatroon is flauw geelachtig groen of rozeachtig bruin;
de kop is zwart en het nekschild zeer donker bruin.
Op het lichaam bevinden zich lichtgrijze tot witte haartjes.
De rups verpopt in een witachtige cocon
die aan de voederplant bevestigd is.


 
 
 
 
Terug naar:

Home
Vlinders
Soortbeschrijvingen