
Het voorkomen van de meldedwergspanner hangt uiteraard samen
met de voedselplanten en de soort wordt daarom op vrijwel alle grondsoorten
en terreinen gevonden, zelfs op schorren (Zuid-Sloe).
Vooral ruderale terreinen zijn favoriete vliegplaatsen.
In ons land is de vlinder wijd verbreid, maar lokaal.
Op de vliegplaatsen kan hij vrij gewoon zijn.
De hoofdvliegtijd valt in de zomer met een hoogtepunt in de tweede helft van juli.
Hierbij vliegt hij in één generatie.
Door grootte en kleur is de meldedwergspanner goed herkenbaar.
Het is een grote Eupithecia (spanwijdte tot 23 mm) maar de afmeting
kan flink variëren en er komen ook vrij kleine exemplaren voor.
De kaneelbruine kleur van de voorvleugels met een duidelijke, lichte,
brede dwarslijn en golflijn is daarom wellicht het meest betrouwbare kenmerk.
De vlinders variëren nauwelijks in tekening en kleur,
zelfs niet de zeer kleine exemplaren.
De meldedwergspanner komt goed op licht.
De naam simpliciata (latijns simplex=eenvoudig)
slaat op de determineerbaarheid van de soort.
Het is een zomersoort die vrij verborgen leeft.
Overdag zit de vlinder rustend tegen de onderkant
van bladeren of tegen stengels.
Ze bezoeken bloemen in avond en nacht.
De voedselplanten worden gevormd door melde,
ganzevoet, zeealsem en bijvoet.
De rupsen vreten van de bloemen en van de onrijpe vruchtjes,
maar ook van de bovenste bladeren van de plant.
Het groene rupsje kronkelt zich tussen de bloemen en zaaddozen
van de waardplant en is daardoor moeilijk te vinden.
De poppen overwinteren soms twee maal.
Terug naar: