
De meeste soorten schoenlappers zijn behoorlijk groot:
ze hebben een spanwijdte van 4 tot wel 7 centimeter.
Het landkaartje, ook een lid van die familie, is wat kleiner
en haalt de 4 centimeter meestal niet eens.
die lijkt sterk op een landkaart.

Er wordt in twee generaties gevlogen, de eerste vanaf half april tot eind juni
en de tweede vanaf eind juni tot eind september.
De vleugellengte van de voorjaarsgeneratie is 16-18 mm,
die van de zomergeneratie 17-21 mm.
De lentegeneratie (forma levana) en de zomergeneratie (forma prorsa)
verschillen sterk van elkaar.
Bij de lentegeneratie is de bovenkant van de vleugels oranjebruin
met een zwart vlekkenpatroon zodat de vlinder op een parelmoervlinder lijkt.
De zomergeneratie is zwart, met van buiten af
een oranjerode, gevlekte en een witte band.
Dat de tweede generatie donkerder is komt omdat hij tijdens het rupsstadium
het licht en de warmte van de lange zomerdagen heeft opgevangen
en zo meer donkere pigmenten heeft ontwikkeld.
Hierdoor is hij iets groter en zijn de kleuren intenser.
De eventuele derde generatie is weer anders getekend.

Het landkaartje is een algemene soort van bosranden, kapvlakten, heggen en houtwallen.
Vooral na 1940 heeft hij hier terrein veroverd.
Voor de nectar bezoekt hij naast zijn lievelingsplanten het koninginnekruid
en de akkerdistel nog vele andere soorten.
De tot 20 mm lange rups heeft een zwart lijf met fijne witte spikkels.
Op de rug en flanken bevinden zich onderbroken geelbruine lijnen.
De doorns zijn zwart of oranjegeel van kleur, de buikpoten geelachtig bruin.
Op de zwarte kop zitten met twee gedoornde uitsteeksels.
De rupsen leven in eerste instantie in kleine groepen bij elkaar.
Volwassen rupsen zijn solitair.
Grote brandnetels in halfschaduw die langs beken
en bosranden staan, vormen de voedselplanten.
De eiafzetting geschiedt in de vorm van korte staafjes
(tot 10 eitjes per streng) onder de brandnetelbladeren.
De donker gevlekte pop overwintert hangend aan stengels in de kruidlaag.

Terug naar: