
De koningspage vliegt jaarlijks in 1, soms 2 generaties
waarbij hij te zien is in mei/juni (en augustus/september).
In Nederland staat deze dagvlinder echter alleen bekend
als zeer zeldzame zwerver.
Tussen 1940 en 1997 zijn in totaal zo’n 40 waarnemingen bekend
waarvan 11 exemplaren in Nederland het levenslicht zagen.
In 2003 is de soort in Dordrecht, Strijen en in Bargerveen gesignaleerd.
De vlinder vliegt op droge, zonbeschenen kalkhellingen met sleedoornstruweel.
Het is een vrij honkvaste soort.
De spanwijdte van de vleugels reikt van 50 tot 70 mm.
De grondkleur van de vleugels is lichtgeel met een patroon van zwarte lengtestrepen.
Op de bovenkant van de voorvleugel bevindt zich geen blauwe kleur,
op de bovenkant van de achtervleugel staan enkele rood omrande,
blauwe vlekken en aan de buitenrand enkele blauwe maanvlekken.
Opvallend zijn de lange staarten aan de achtervleugels.
Deze hebben waarschijnlijk de functie insecten etende vogels te foppen.
De vogels worden verleid de vlinder in de staarten te pikken,
waardoor deze beschadigd kan worden, maar de aanval wel overleeft.
De mannetjes scholen vaak samen bij een landschappelijk markant punt,
zoals een heuveltop en stimuleren elkaar tot uitvoeren van baltsvluchten.
Dit gedrag heet 'hill topping'.
Tussen de vluchten door keren zij telkens terug
op hetzelfde takje om even te rusten en beginnen dan weer opnieuw.
Het vrouwtje legt kogelronde, witte eieren één voor één of paarsgewijs
aan de onderzijde van de bladeren van de voedselplant.
De plompe rups wordt tot 40 mm lang en heeft naar de uiteinden een toelopend lichaam.
De jonge rups is zwart met 2 witte punten op de rug
en lijkt erg op die van de koninginnenpage.
Na de tweede vervelling echter wordt ze groen met een onduidelijke,
gele streep in het midden op haar rug.
Op de flanken bevinden zich schuine, gele strepen,
met daarin gele of rode, iets hoger liggende vlekjes.
Ze is op die manier goed gecamoufleerd en valt,
zittend op een blad, nauwelijks op.
De kop is groen van kleur en vaak in het lijf teruggetrokken.
Mogelijke vijanden worden afgeschrikt door een plotseling
uitstulpende structuur achter de kop (osmaterium).
De rups eet jonge blaadjes van vooral sleedoorn,
maar ook andere roosachtigen staan op het menu.
Vanaf juli vindt de verpopping plaats.
De bruine gordelpop is meestal, gesteund door een zijden spinseldraad,
aan een takje van de voedselplant bevestigd.
De pop overwintert in de kruidlaag.
Terug naar: