
Een zeer algemene vlinder is het koevinkje maar hij valt nauwelijks op,
omdat hij wel heel erg donkerbruin is.
De oogvlekjes vallen pas van dichtbij op.
De vlinder zit bijna nooit met zijn vleugels open,
alleen na een koude en natte periode wordt soms met geopende vleugels opgewarmd.
Het is een honkvaste soort van ruigten in bosranden en graslanden
waarbij hij beschutting zoekt in houtwallen en heggen.
Vaak bezoekt hij schermbloemen.
Vooral op de zandgronden van Zuid- en Oost-Nederland
komt hij veel voor.
Op de onderkant van de voorvleugel bevinden zich drie en op de onderkant
van de achtervleugel vijf grote, witgekernde en geelgeringde ogen.
Het vrouwtje verschilt van het mannetje door de oogvlekken
op de bovenkant van de vleugel.
Het vrouwtje heeft er altijd drie, het mannetje meestal maar twee,
die soms ook nog eens heel vaag kunnen zijn of zelfs geheel kunnen ontbreken.
De onderkant van de vleugels is bij het vrouwtje goudbruin bestoven
waardoor ze iets lichter van kleur zijn.
Daarnaast hebben de mannetjes een spanwijdte tot 38 mm,
de vrouwtjes tot 42 mm.
De soort vliegt in slechts één generatie van half juni tot eind augustus.
Als voedselplanten voor de rups dienen diverse grassoorten en zeggen.
De eieren worden niet direct op de grassen gelegd.
Het vrouwtje vliegt langzaam rond boven geschikte plekjes
en laat de eieren gewoon één voor één vallen.
De rups leeft het liefst op grassen die in de schaduw groeien
en dan vooral in de buurt van braam.
Hij heeft een dik lichaam dat naar achter toe dunner wordt.
Hij is lichtbruinig met een donkere ruglijn en heeft een
voor zandoogjes relatief lange beharing.
De halfwas rups overwintert verscholen in een graspol.
Overwinterende rupsen zijn actief bij zacht weer.
Ze zitten zo goed verstopt in en tussen gras,
dat ze maar zelden worden gevonden.
Datzelfde geldt trouwens ook voor de poppen.
Terug naar: