
Bosranden, open plekken, bospaden en bosweiden vormen het leefgebied van de kleine ijsvogelvlinder.
Op geschikte plaatsen kunnen er soms tientallen vliegen.
Het is echter een kwetsbare soort die op de zandgronden en in Brabant
sterk achteruit is gegaan en in Limburg verdwenen is.
Hij komt nu nog slechts voor in de Veluwerand, Twente, Salland en de Achterhoek.
Het is een honkvaste soort die vliegt vanaf eind mei tot eind augustus
maar soms wordt hij tot in oktober gezien.
Jaarlijks is er één, zelden twee generaties.
De vleugellengte van de kleine ijsvogelvlinder bedraagt 22-29 mm.
De bovenvleugels zijn donkerbruin-zwart met een witte band op de achtervleugels
die zich in de voorvleugel voortzet in een rij afzonderlijke vlekken.
Deze witte band is bij de vrouwtjes breder dan bij de mannetjes.
Op de bovenkant van de vleugels staan geen oranje maanvlekken
zoals bij de grote ijsvogelvlinder.
Daarnaast mist hij de blauwe weerschijn die de blauwe ijsvogelvlinder heeft.
De ondervleugels zijn roodbruin met witte vlekken en zwarte stippen.
Aan de basis zijn ze iets blauwgroen bestoven.
Aan de onderzijde van de achtervleugel bevindt zich een dubbele rij vlekken,
daar waar de blauwe ijsvogelvlinder slechts een enkele rij heeft.

Als voedselplant voor de rups dienen de wilde- en rode kamperfoelie.
De eitjes worden één voor één afgezet op de bovenzijde
van jonge bladeren in halfschaduw.
De rups komt in augustus uit.
Zeer kenmerkend is het vraatspoor van de jonge rupsen:
de bladeren worden gegeten waarbij de middennerf blijft staan.
In augustus en september kunnen hieraan de vliegplaatsen worden vastgesteld.
Ook de winteronderkomens zijn kenmerkend:
een blad gesponnen tegen een takje (hangende capsule).
In het voorjaar voltooit de rups zijn ontwikkeling
en groeit uit tot 30 mm lengte.
Hij heeft dan een helder (geel)groen lijf met twee rijen
bruinrode getakte doorns op de rug van de meeste segmenten en een bruine kop.
De hele rups is bedekt met witte wratjes.
De pop hangt aan de voedselplant.

Terug naar: