
De kleine voorjaarsuul vliegt vaak in grote aantallen
in maart en april rond, maar is erg ongetekend.
Hij is in geheel Europa vooral te vinden in bosrijke streken,
waar de rupsen op eik en andere bomen leven.
Met een spanwijdte tot maximaal 32 mm behoort hij tot de kleinere uilen.
Het is de kleinste- en tevens vroegstvliegende Orthosia.
De kleur varieert van grijs tot roodachtig, waarbij de vlek
op de vleugel meer of minder duidelijk kan zijn.
Jaarlijks is er één generatie die vliegt van begin maart tot half mei.
Plaatselijk is het een gewone verschijning.
In bosachtige streken en vooral op de zandgronden is hij te vinden
maar zwervers worden ook buiten dit biotoop wel aangetroffen.
Wilgenkatjes leveren de vlinders voedsel en vormen tevens de paringsplaats.
De vlinder is schemerings- en nachtactief.
Overdag rust hij in de omgeving van kunstlicht op b.v. muren.

De rupsen zijn te zien van april tot juni, vooral in mei.
De volwassen rups is meestal zwartachtig met sterk contrasterende witte lengtelijnen;
het nekschild en het laatste segment zijn 'zwartgelakt'.
Er zijn echter ook bruine varianten.
De voedselplanten worden gevormd door loofbomen.
Orthosia-rupsen worden regelmatig door vliegen en wespen geparasiteerd.
De pop overwintert.
Terug naar: