Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!

Kleine rietvink

Simyra albovenosa
Uilen

De hoofdvliegtijd van de kleine rietvink ligt tussen begin mei en eind augustus.
Hierbij zijn er twee generaties.
Ten westen van de lijn Breda - Assen is het een vrij gewone
en verspreid voorkomende vlinder.
Oostelijk van deze lijn is hij schaars tot helemaal ontbrekend.

Met een spanwijdte tot 40 mm is de vlinder vrij klein.
Hij heeft een witte kop en witte achtervleugels.
De lichte kleur en de zwak ontwikkelde lengtetekening
zijn typerend voor vlinders van riet- en zegge-biotopen.

De eieren worden in een dubbele rij op grassen afgezet.
De rupsen zijn te vinden eind juni en van begin augustus tot begin oktober.
Soms zijn ze talrijk en worden ze wel gezien als ze
langs lange grassen omhoog kruipen.
In eerste instantie leven ze in groepen, later solitair.
De rups wordt tot 40 mm lang en is meestal licht-
maar soms ook wel donker gekleurd.

Op het lijf bevinden zich flauwe, gele of bruine subdorsale lijnen
met daarin roodachtig bruine wratjes met zwarte en grijze haren.
Er loopt een geelachtig witte lijn over de stigma's
met daarboven nog een rij haarwratten.
De kop is vooral zwart met een gele tekening.
De jonge rups is vaag oranje op de rug met een brede
zwartbruine dorsale streep en grijs op de flanken.
De volwassen rups is dag- en nachtactief en rust vaak
open in de lage vegetatie.
De beharing beschermt hem tegen predatoren.
Hij verpopt in een cocon tussen plantendelen in lage vegetatie.
De pop overwintert.
 
 
 
 
Terug naar:

Home
Vlinders
Soortbeschrijvingen