Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!

Kleine parelmoervlinder

Issoria lathonia
Aurelia’s

De kleine parelmoervlinder vliegt vooral van 15 - 25 april,
10 juni - 5 juli en in augustus.
De drie generaties overlappen elkaar.
Hij voelt zich thuis in schrale, droge, warme graslanden
met viooltjes en braakliggende akkers.
In de duinen komt hij soms wel in aantal voor maar in het binnenland
is het een zwerver en (wellicht) een onregelmatige standvlinder.
Ook trekkende vlinders komen ons land binnen.
De soort is weinig honkvast.

De spanwijdte van de vleugels varieert tussen 35-45 mm.
De bovenzijde is geelrood met tamelijk regelmatig verdeelde zwarte vlekken.
De onderzijde van de achtervleugels hebben grote, ovale,
zilveren parelmoervlekken en een rij zwart omringde vlekken.
De vleugelvorm is enigszins hoekig.
In de vlucht is het stippenpatroon op de bovenkant
van de vleugels tamelijk opvallend.
In tegenstelling tot andere parelmoervlinders is de buitenrand
van de voorvleugel duidelijk naar binnen gebogen.

De eitjes worden afzonderlijk op de bladstelen van de voedselplanten afgezet.
De rups voedt zich met duinviooltje, akkerviooltje en driekleurig viooltje.
De groeiperiodes vallen in de lente, zomer en herfst,
waarbij de laatste generatie overwintert.
Het is een snelle groeier en wordt tot 30 mm lang.
Zijn lijf is zwartbruin met veel kleine bleke plekjes.
De getakte stekels zijn okerkleurig
en de kop is licht bruin met donkerder vlekjes.
De hangende pop bevindt zich laag in de vegetatie.
Behalve als rups kan de soort ook als pop
en zelfs als vlinder overwinteren.
Boven de Alpen schijnt de soort
echter alleen als rups te overwinteren.
 
 
 
 
Terug naar:

Home
Vlinders
Soortbeschrijvingen