
De vliegtijd van de kleine groenuil ligt tussen begin mei en eind september.
Gedurende deze tijd zijn er zelfs drie generaties.
Op de zandgronden is de vlinder een vrij gewone verschijning.
Vooral in de hele duinrij komt de kleine groenuil veelvuldig voor.
Maar ook buiten deze gebieden wordt de vlinder regelmatig gezien.
De vlinder heeft een goed ontwikkelde zuigsnuit.
Hij heeft een spanwijdte tot 20 mm en lijkt wel
op de groene eikenbladroller.
Hij heeft een witte rand langs voorvleugel
en witte (geen grijze of grijsbruine) achtervleugels.
De rups is zeer variabel in kleur: van bijna eenkleurig witachtig groen
zonder tekening tot exemplaren met zwartbruin-violetkleurige zijkanten
met dunne donkerrode ruglijn in een witte rugband en alles daartussen.
De rupsen zijn te vinden op wilg en huizen
in gewikkelde bladeren, vooral bij smalbladige wilgen.
Later wordt een stevige cocon gebruikt als woning om er in te overwinteren.
De pop is stevig en waterdicht (wilgen staan vaak in water).
Terug naar: