
De voorvleugels van deze vlinder hebben een lichtgroene grondkleur
en zeer sierlijke, witte, zwarte en korstmosgroene tekeningen.
Zoals bij veel groene spannersoorten lijkt ook de kleine groenbandspanner
bij het ouder worden de groene kleur grotendeels te verliezen.
Gelukkig is de tekening op de vleugels samen met het resterende groen
voldoende om het tot een gemakkelijk te herkennen soort te maken.
Met een spanwijdte net onder de 30 mm is dit geen erg grote soort.
De vlinder kunnen we in bijna geheel Europa aantreffen,
inclusief de noordelijke streken.
Daar is er één generatie die vooral in juni en juli vliegt.
Verder naar het zuiden, zoals bij ons, komt een tweede generatie voor,
zodat de vlinder van juni tot in september is te zien,
al is de tweede generatie minder talrijk dan de eerste.
De vlinder is niet overal gewoon maar komt voor
in zowel natte als in droge gebieden.
Met name in bosachtige streken en op heidevelden wordt hij gezien.
Hij vliegt al vroeg in de avond, vaak nog voor het donker wordt,
en soms ook overdag op sombere en zwaarbewolkte dagen.
Ook komt hij graag op licht af.
De larven vinden we op bosbes en walstroo,
maar ook op brandnetels en dovenetels komen ze wel voor.
Ze worden zelden gezien maar kunnen het hele jaar aanwezig zijn.
Op hun rug bevindt zich een rij, soms onduidelijke delta-vlekken.
Terug naar: