
De iepenpage is een zeer zeldzame vlinder,
waarvan het voortbestaan in Nederland ernstig bedreigd is.
Na 1980 komt hij alleen nog sporadisch voor in Limburg
waar hij te vinden is langs bosranden en boomgroepen met iep.
Vroeger kwam hij ook wel in de stad voor.
Een populatie kan zich soms jaren handhaven op een paar iepen,
dus het is met recht een honkvaste soort te noemen.
Jaarlijks is er één generatie die te zien is vanaf begin juni tot half augustus.
De spanwijdte is ten hoogste 28 mm.
De vrouwtjes zijn iets groter dan de mannetjes
en iets lichter bruin op de bovenkant.
Bij het staartje bevinden zich een of twee blauwe vlekjes.
Op de onderkant van de achtervleugel vormt de witte lijn
een duidelijke W met steile zijkanten.
Op de onderkant van de achtervleugel bevinden zich
grote oranje vlekken in de vorm van halve manen.
Deze zijn zwart gerand.
De eitjes worden op de iepen afgezet en overwinteren.
De kleine rupsen leven van de bloeisels, de (bijna) volwassen rups
leeft op de bovenkant van iepenbladeren.
Hij kan het beste worden ontdekt door van onderen
door het blad heen naar de zon te kijken.
De rups wordt dan door zijn silhouet verraden.
Het tot 5 mm lange rupsenlijf is licht geelachtig groen met gele schuine tekens
op de flanken en een dubbele rij donkere grijsgroene streken over de rug.
Het hele lijf is bedekt met kleine haartjes.
Er bestaat ook een roodkleurige vorm.
De rups groeit in voorjaar en voorzomer.
De gordelpop zit aan takken of in de lage vegetatie.
Het popstadium duurt ongeveer 3 weken.
Terug naar: