
Deze forse vlinder lijkt bij oppervlakkige beschouwing
meer op een hoornaar dan op een echte vlinder.
De grotendeels tranparante vleugels en de geel-zwarte en bruine banden
op het lijf maken dat deze vlinder door eventuele belagers
voor een geducht dier en zeker niet voor prooi wordt aangezien.
Het gele schouderdek is goed kenmerk.
De spanwijdte van de vleugels is 30-45 mm en hiermee
is hij de grootste wespvlinder van Noordwest-Europa.
De vlinders kunnen geen voedsel opnemen.
Hij is ook bekend onder de naam horzelvlinder,
hoewel hij toch niet op een horzel lijkt.
De hoornaarvlinder vliegt snel met een duidelijke zoemtoon
en wordt daarom heel makkelijk aangezien voor een echte wesp.
De soort is één van de klassieke gevallen van een soort mimicry
in de natuur, waarbij een ongevaarlijk organisme een gevaarlijk dier nabootst.
De hoornaarvlinder is een nachtvlinder die overdag vliegt.
Hij is te zien van begin juni tot eind juli.
Hij komt in het hele land algemeen voor maar is zeldzamer in de duinen.
Hij is echter niet talrijk te noemen.
Vaak komt hij als cultuurvolger voor in parken en populierenlanen.
De rupsen van de hoornaarvlinder komen uit eitjes die op de voet
van populieren of wilgen worden afgezet.
Ze eten van het hout en van de wortels van deze bomen,
terwijl ze met hun sterke kaken een gang boren.
Dit neemt ongeveer twee jaar in beslag en de rups overwinterd dus meerdere keren.
Daarna vindt de verpopping plaats vlak bij het einde van de woongang dicht onder de schors.
Dit uitkruipgat bevindt zich dicht bij de grond, meestal aan de oost-zijde.
De pop werkt zich met behulp van een krans van stekels half naar buiten
voordat de vlinder uitkomt.
Die heeft dan de ruimte om haar vleugels te kunnen ontvouwen.

Terug naar: