
De hoofdvliegtijd van de herfstrietboorder
ligt tussen half augustus en eind oktober.
Hierbij vliegt hij in één generatie.
Op de volgende plaatsen is het een gewone soort:
de Waddeneilanden, Zeeland, het grensgebied van Friesland en Overijssel
en Noord- en Zuid-Holland.
Overal elders is hij veel minder gewoon
en verspreid voorkomend tot helemaal ontbrekend.
Het is met een spanwijdte van 42 – 50 mm
een relatief grote herfstvlinder die zeer variabel is.
Hij vliegt vooral in frisse, mistige nachten.
T.o.v. de lisdoddeboorder heeft hij een scherpe vleugelpunt.
De vlinders zuigen graag op rietpluimen
en rusten tegen rietstengels.
Ze worden aangetrokken door licht.
De eiafzetting vindt plaats in rijen tegen de onderkant van bladeren.
Op deze manier wordt de winter doorgebracht.
De rupsen boren zich op aardhoogte in de rietstengel
en vreten zich (maart/april) omhoog, waarbij ze
waarschijnlijk ook wel van plant wisselen.
Later (juni/juli) vreten ze naar beneden de wortelstok in,
daarbij de wortel helemaal opvullend met poep.
Dergelijke halmen blijven kleiner en de hele plant verdroogt.
Trek je aan zo'n verdorde plant dan breekt hij bij de wortel af
en toont op het breukvlak de lichtgekleurde poep.
De rupsen zijn alleen te vinden op riet dat
in de rupsentijd met droge voeten staat.
Voor het verpoppen verlaat de rups de plant
en verpopt in bovenste aardlaag met de kop naar boven.
Terug naar: