
De hoofdvliegtijd van de heidewortelboorder ligt in de maanden mei,
juni en juli waarbij er in één generatie gevlogen wordt.
De vlinder komt verspreid in ons land voor maar wordt niet aangetroffen
in polderland en in kleigebieden.
Concentraties zijn te vinden in de Peel, in het Gooi, op de Veluwe
en in het grensgebied van Friesland en Drenthe.
Opmerkelijk zijn ook de waarnemingen op Terschelling.
De vlinder vliegt bij dageraad en in de schemering rond voedselplanten.
De spanwijdte loopt uiteen van 22 – 36 mm.
De voorvleugels van het mannetje zijn licht roodbruin, met gelig witte,
donker omrande rijen vlekken, die van het vrouwtje grijsbruin
met brede, donkerbruine, bochtige dwarsbanden.
De mannetjes zouden een ananasgeur verspreiden.
De volwassen vlinders nemen met hun sterk gereduceerde monddelen
geen voedsel meer op.
Bij het mannetje zijn de achterpoten ook sterk gereduceerd:
de voetdelen zijn vrijwel verdwenen en de schenen zijn kort en knopvormig verdikt.
Bovendien zijn de schenen aan de binnenkant hol en bezet
met een bosje gele, haarvormige geurschubben.
Gewoonlijk worden de achterpoten langs het lichaam gehouden
en de geurschubben opgeborgen in een zijdelingse
uitsparing (tasje) van het lichaam.
In tegenstelling tot andere vlinders lokt het mannetje het vrouwtje.
Om te baltsen vliegt het mannetje kort voor zonsondergang
naar een open plek in het bos of naar een bosrand.
Daar spreidt hij de geurschubben wijd uit en voert een soort pendelvluchten uit
van tak naar tak met uitstaande geurschubben.
Vaak zet hij zich een tijdje neer op een tak met
wijd uitgespreide voorvleugels en klapperende achtervleugels.
Zo worden de sekslokstoffen in de omgeving verspreid
en lokken zij weldra een vrouwtje aan voor de paring.
Als er een vrouwtje nadert stort het mannetje zich op haar
en daalt het paar even later af in gras.
Paring vindt plaats in de vegetatie waarbij het mannetje
los hangt aan het vrouwtje.
De eieren worden vrij uitgestrooid.
De wittige rupsen leven in of op wortels van verschillende
soorten planten, waaronder brandnetels en adelaarsvaren.
Ze zijn te vinden vanaf augustus en overwinteren enige malen.
Ze lijken op een keverlarve en zijn lichtschuw.
Ze kunnen gemakkelijk achteruit lopen.
Vanaf april verpoppen ze zich eveneens in de grond.
Terug naar: