
De hagendoornvlinder vliegt erg lang: van april tot in oktober.
En soms worden ze zelfs al eerder of nog later aangetroffen.
Jaarlijks zijn er twee generaties.
De vlinder is gewoon door het hele land en vooral in bosachtige streken,
maar ook in tuinen en op de heide komt hijwel voor.
Hij vliegt in de schemering en is overdag makkelijk te verstoren.
Ook komt hij graag op licht af.
De vleugels, met een spanwijdte tot 37 mm, zijn zwavelgeel
met roodbruine vlekken aan de voorrand.
De vlinder loopt en zit veel met de vleugels helemaal naar boven
of half open en lijkt daardoor heel veel op een dagvlinder.
De rups leeft van struikachtige planten als meidoorn, sleedoorn en kamperfoelie.
Hij is bruin of groen en zit in rusthouding meest met geknikt lichaam
en lijkt dan op een afgestorven takje.
Vaak wordt als rups de winter doorgebracht, maar ook poppen overwinteren wel.
De cocon bevindt zich in de strooisellaag in een los spinsel.

Terug naar: