
De grote beer of bruine beer vliegt vooral ’s nachts
en rust overdag in het gras of tegen palen.
Hij komt in het hele land voor en vliegt van begin juli
tot eind september in één generatie.
De vlinders zijn nogal variabel in tekening.
Ze hebben bruine voorvleugels met witte, gekruiste dwarsbanden.
De achtervleugels zijn oranje met zwart omrande vlekken.
Met de opvallende rood-zwarte achtervleugels worden vijanden afgeschrikt
en gewaarschuwd voor de ongenietbaarheid van de vlinder.
Men ziet ze zelden, omdat ze 's avonds en 's nachts pas gaan vliegen.
Ze zijn niet in staat om voedsel op te nemen.
De eieren worden in hoopjes op de bladeren van de voedselplanten afgezet.
De rups overwintert en leeft van september tot juni.
In feite is de rups is bekender dan de vlinder.
Ze worden vaak gezien als ze een verpoppingplek zoeken.
Hij heeft een kenmerkende, onbeholpen maar snelle wijze van voortbewegen.
Ook worden ze veel gezien terwijl ze liggen te zonnen op de vegetatie.
Als voedsel dienen allerlei wilde en gekweekte planten
zoals paardenbloem, sneeuwbes, braam en kamperfoelie.

De rups wordt tot 60 mm lang.
Zijn lijf is donker bruin en dichtbezet met lange vooral witte haren
gemengd met kortere zwarte haren en met roodachtige haren op de flanken.
In het stigma-gebied bevindt zich een reeks duidelijke witte knopwratten.
Bij gevaar laten de rupsen zich van de voedselplant vallen en houden ze zich dood.
De rupsen verpoppen zich pas in juni.
De bodempop zit in een los spinsel in de grond en komt dezelfde zomer nog uit.
Terug naar: