
De hoofdvliegtijd van deze dagactieve nachtvlinder ligt tussen begin mei en half augustus.
Hij is echter nog te vinden tot in november en jaarlijks zijn er twee generaties.
De verspreiding van de glasvleugelpijlstaart in Nederand wordt onder meer
bepaald door het voorkomen van de belangrijkste voedselplant van de rups: kamperfoelie.
Vooral langs de kust noordelijk van Wassenaar en in het grensgebied
van Groningen, Friesland en Drenthe komt de vlinder vrij frequent voor.
Na 1960 is hij wel in het algemeen in aantal achteruit gegaan.
Het is een kleine, pelsachtig behaarde pijlstaartvlinder
met een roodbruin lichaam en een spanwijdte van 40 – 47 mm.
De vleugels zijn eerst licht beschubd, maar de schubben vallen tijdens
de eerste vlucht af, behalve de roodbruine schubben aan de vleugelranden.
T.o.v. de hommelvlinder heeft hij een bredere vleugelzoom
en opvallende lichte vlekken op het achterlijf.
In rust lijkt hij wel op een hommel, maar tijdens de vlucht
schiet hij veel sneller heen en weer.
Hij zuigt nectar van buisbloemen zonder erop te gaan zitten
en bezoekt graag zenegroen en koekoeksbloemen.

De eitjes worden stuk voor stuk op onderkant van bladeren afgezet.
De rupsen zijn te zien van juni tot augustus en behalve op kamperfoelie
leven ze ook op sneeuwbes en walstroachtigen.
Het vraatspoor van de jonge rups op kamperfoelie is kenmerkend:
ronde gaatjes aan weerszijden van de bladnerf.
De rups wordt tot 55 mm lang en heeft een rolrond lijf.
Dit is groen van kleur met kleine, gele wratjes en bruin geringde
oranje stigma's (ademhalingsopeningen).
De buikzijde is bruin en de pijl is grijsachtig bruin.
De volwassen rups heeft duidelijk getekende stigma’s
maar deze kunnen ook ontbreken.
De pop overwintert in de grond.
Terug naar: