
De gewone heispanner is te vinden op de zandgronden
in het oosten en zuiden van het land en in de duinen.
Hij vliegt er in twee generaties vanaf eind maart tot september.
Er zijn twee ondersoorten: atomaria vliegt in Zuidoost-Limburg
en in de duinen van Zeeuws-Vlaanderen, minuta in de rest van Ned.
De spanwijdte van de vleugels rijkt tot 30 mm.
De seksen zijn duidelijk verschillend van kleur.
Het mannetje heeft lichtbruine voor- en geelachtige achtervleugels,
beide met bruine zigzag bandtekening en fijne bestreping en bestippeling.
Zijn voelsprieten zijn lang gekamd.
Het vrouwtje heeft een zelfde soort tekening, maar op een witte grondkleur.
Haar voelsprieten zijn draadvormig.

Regelmatig duiken er exemplaren op met zeer afwijkende vleugeltekening,
b.v. met een extreem dichte, donkere bestippeling of egaal donkerbruine vleugels.
Ook komen er dieren voor met geheel witte vleugels.
Een gelijkende soort is de dennenspanner
waarvan het mannetje witte of gelige voorvleugels
en het vrouwtje bruine of oranje met een donkerbruine vleugeltop.
De rups is te vinden in mei/juni en augustus/september.
Zijn lichaam is grijs tot donkergroen, vaak met rijen witte vlekjes op de rug.
De rups leeft op struikheide, dopheide en verschillende vlinderbloemigen.
De pop overwintert.
Terug naar: