
De gewone gouduil vliegt in augustus, september en oktober.
Hierbij is er één generatie.
Het is een vrij gewone vlinder die verspreid over het hele land voorkomt
op plaatsen waar voldoende wilg groeit.
De spanwijdte bedraagt 27 – 35 mm.
De grondkleur varieert van geelachtig-wit tot diepgeel
en ook de intensiteit van de vlekken varieert.
De achtervleugels zijn wit van kleur.
Vaak vertoeft de vlinder op de bloeiwijze van grassen (riet).
Overdag zit hij soms op stammen.
De eitjes worden in rijtjes afgezet op wilg
(tussen een katje en een twijg) waar het overwintert.
Het eirups boort zich in dichtstbijzijnde knop.
Na met het blad naar de grond te zijn gevallen verblijft hij
ook op kruidachtige planten.
De rupsen zijn vooral waar te nemen van maart tot mei.
Ze verpoppen zich in een aardcocon.
Terug naar: