
De gevlekte pijluil vliegt van half april tot half juni in één generatie.
Hij komt vrijwel niet in het westen en noorden van het land voor.
Wel is er een flinke concentratie op de Veluwe,
op de Utrechtse heuvelrug en in Noord-Limburg.
Verder zijn er nog wat verspreide waarnemingen
op de zandgronden van het binnenland.
Zowel de Latijnse als de Nederlandse naam duiden
op de kenmerkende pijlvlekken aan vleugelzoom.
Overdag zit de vlinder tegen stammen.
Hij komt matig op licht, maar wel bezoekt hij graag bloeiende planten.
De rups is te vinden vanaf juli.
Hij voedt zich met lage planten en grassen.
Zijn lijf, dat tot 40 mm lang wordt, is lichtgeel met een blekere dorsale lijn.
Het heeft bredere, bleke subdorsale lijnen en variabele rijen
donkerder figuurtjes langs rug en flanken.
De kop is oranjeachtig bruin, donkerder bespikkeld.
Bij zacht weer wordt er ook in de winter gegeten.
In april verpopt hij zich uiteindelijk.
Terug naar: