
De hoofdvliegtijd van de gestippelde houtvlinder ligt tussen eind mei
en eind augustus waarbij er één generatie is.
Het is een soort van bomenrijke gebieden.
Er zijn meerdere plaatsen met een redelijke concentratie,
maar ook gebieden waar de soort helemaal ontbreekt.
De vlinder zit overdag op boomstammen.
Vrouwtjes komen minder op licht dan de mannetjes.
De spanwijdte kan variëren van 35 – 60 mm.
Bij gevaar houdt hij zich dood.
Eerst kromt hij zijn achterlijf en scheidt dan een witte vloeistof af.
De vlinder blijft vrij lang in zijn verstarde, schijndode houding liggen.

De eitjes worden soms met honderden bij elkaar afgezet in een bastnaad.
De rupsen leven vanaf augustus tot in juni in twijgen en takken
van loofbomen en struiken en overwinteren twee keer.
Ook in fruitbomen komen ze voor en ze worden daarom gezien als een schadelijke soort.
De voorkeur gaat uit naar takken tot 10 cm dik.
Onnodig te zeggen dat de rups krachtige kaken heeft.
De rups maakt geen cocon maar verpopt in een vraatgang
nadat eerst de ontsnappingsplaats is voorbereid.
Terug naar: